Een rondgang door het centrum van Rotterdam geeft de indruk dat gebouwen vaak niet bij de stad lijken te willen horen. De traditie van de 19e-eeuwse Europese stad waarin de gebouwen in lijn staan en een scherpe overgang maken tussen openbaar (de straat) en privé (het gebouw) lijkt in de stad niet te beklijven.
In een reflex wordt deze eigenschap als vanzelf toegeschreven aan de cesuur van WOII. Het centrum van de stad moest steen voor steen weer worden opgebouwd. De legende wil dat is dit op modernistische wijze gebeurde, maar feit is dat de Wederopbouwarchitectuur werd gebouwd volgens klassieke principes van de stad. De stedenbouw van de jaren ’40 en ’50 dicteerde in Rotterdam wandvorming, markante entrees en in veel gevallen een klassieke opbouw van plint, corpus en een verbijzondering in de gevel of daklijn. Gulle kunstwerken op de gevels maakten duidelijk dat bouwen geen individuele bezigheid was, maar een maatschappelijke meerwaarde vertegenwoordigde. Gevelreclames spraken trots.
In het centrum van de stad werden de principes van de klassieke stedenbouw op deze manier opgefrist en in een hedendaags jasje opnieuw toegepast. Met de komst van de Lijnbaan en bij het opvullen van kleinere stukken van het nieuw te maken stadsweefsel werden de klassieke fundamenten echter weer losgelaten. Vanaf dat moment laten nieuwe gebouwen een ambivalente houding zien ten opzichte van de straat. Gebouwen staan in de openheid en laten onbestemde ruimtes ontstaan.
Dit merkwaardige, deels aan modernistische opvattingen en deels aan toeval toe te schrijven verandering is niet gebonden aan een bepaalde bouwstijl. Tot op de dag van vandaag worden gebouwen gerealiseerd met een vervaagde grens tussen bebouwd en onbebouwd. Van de honderden gebouwen gerealiseerd in de laatste 50 jaar is er maar een handvol dat volgens de eerder genoemde stedelijke principes is gebouwd.
Er is blijkbaar een bepaalde informaliteit of desinteresse in de Rotterdamse bouwcultuur geslopen waardoor het mogelijk is dat bepaalde gebouwen scheef staan of teruggetrokken liggen ten opzichte van de straat. Andere gebouwen staan met kolommen of een draaideur op de stoep of houden het publiek op afstand. Soms ligt de voordeur om de hoek of staan de afvalcontainers op straat. Er lijkt sprake van een consequente ongerijmdheid waardoor gebouwen en openbare ruimte in elkaar over lopen en de openbare ruimte zijn definitie verliest. De straten van Rotterdam zijn van zichzelf al relatief breed, maar missen door onverschillige gebouwen nu ook kansen op een architectonische inkadering. Feitelijk gebeurt het dat gebouwen zich een deel van de openbare ruimte van de stad toe-eigenen of juist weg laten lopen. Het verlies van heldere grenzen tussen straat en gebouw kan bijdragen aan het onbegrip over de openbare ruimte waarmee de stad een deel van zijn publieke betekenis inlevert. Rotterdam doet zichzelf tekort.
Fragment uit Rotterdam Klein&Fijn, 2012
Beeld: Rotterdam, Hoogstraat 1963


