“Het spijt me te moeten melden dat het door jou ingezonden project niet is gekozen. Het project ‘VU campus’ maakte wel deel uit van de shortlist, maar is uiteindelijk toch afgevallen. Het oogstte veel waardering – de openbare ruimte als sleutel om samenhang te bewerkstelligen – maar men vond het project in de staat van uitvoering nog onvoldoende zichtbaar.”
Gewoontegetrouw dienden we met ons kantoor plannen in voor het Jaarboek Landschaparchitectuur en Stedenbouw in Nederland 2024. Ons campusplan voor de Vrije Universiteit werd, niet voor het eerst, afgewezen. De argumentatie is even kort als helder; er is nog te weinig van het plan gerealiseerd om de kwaliteit ervan te kunnen beoordelen.
In dit antwoord zit veel besloten. Iets is pas waar als het tastbaar is. Of een plan is pas goed als het zich in de praktijk bewezen heeft. Maar die criteria zijn naar mijn mening niet vol te houden en doen de toegevoegde waarde danig tekort. Hoeveel vergezichten, houtskoolschetsen, -contouren en toekomstvisies worden er immers niet opgesteld waar drommen vakgenoten achteraan lopen of door geïnspireerd en uitgedaagd worden. Dat alles vaak vanuit een drang en ambitie om de onzekere toekomst van een stip op de horizon te voorzien. Kortom, de omgang met en waardering van niet of nog niet gerealiseerde stedenbouwkundige ideeën en visies is een raadselachtige kwestie.
Vormgeven aan de samenleving
Het ontwerp van de stedenbouw komt neer op het boetseren aan de samenleving. Met groot machtsvertoon en een verfijnde pen hebben uiteenlopende ontwerpers in het verleden bij herhaling nieuwe en overtuigende vormen weten te vinden voor ideale proporties van samenleven. De ontworpen oplossingen varieerden van tuinwijken in de jaren ‘20 en ‘30, de stempelwijken uit de jaren 50, megastructuren uit de jaren 60, de bloemkoolwijken uit de jaren ’70 tot aan de rechtlijnige taal van de Vinex. In het huidige tijdsgewricht lijkt de samenleving intussen definitief uit elkaar gevallen te zijn. Niemand weet meer naar welke ideale proporties we moeten streven. Met behulp van een sferische benadering pogen stedenbouwkundige ontwerpers de ontstane breuken te lijmen. De individualiteit verenigt zich in collectiviteiten van welbevinden. Groen en een contemporain postindustrieel vernis verhullen een pijnlijk gebrek aan ordening en aan noodzakelijk keuzes. Gebouwen worden enkel nog in de ruimte gestrooid. Ondertussen staan biodiverse en klimaatadaptieve checklists op groen en doen boekhouders en (landschaps)architecten het werk. De stedenbouw heeft zichzelf feitelijk afgeschaft.
Een Nederlandse planningsparadox
In 2009 verzuchtten de ministers Plasterk en Cramer in de nota ‘Een Cultuur van Ontwerpen’ hoe het toch kan dat Nederlandse ontwerpers wereldwijd hoog staan aangeschreven, terwijl de gemiddelde Nederlander vindt dat ons land verrommelt. Het is een opmerkelijke paradox die onverminderd in onze praktijk waarneembaar is. Grote beschouwingen over de ruimtelijke toekomst van ons land gaan gepaard met veranderingen in de leefomgeving die meer verdeeldheid dan consensus opleveren. Temidden van al die verwarring staan stedenbouwkundig ontwerpers, inclusief menig Rijksadviseur, machteloos en vertwijfeld langs de zijlijn. De Engelsen hebben er een treffende uitdrukking voor: “The Dutch are always right, but seldom relevant”.
In 1966 werd de Tweede Nota over de Ruimtelijke Ordening gepubliceerd. De bijbehorende kaarten toonden verstedelijkingspatronen die langs lijnen van infrastructuur geplaatst waren. Een breed, panoramisch beeld plaatste Nederland in de context van Groot-Brittannië en Duitsland. Nederland werd gezien als een schakel in een kansrijk, Europees ruimtelijk netwerk. Naar mijn mening kan deze kaart gezien worden als een van de laatste waarop planologie een serieuze en invloedrijke rol speelde. In de daaropvolgende rijksnota’s was in toenemende mate sprake van kaarten die een steeds abstractere ruimtelijkheid verbeelden. In 1991 werd met de Vinex-kaart nog de ingezette ontwikkeling van compacte uitbreidingen bij en in de grote steden aangegeven. Een visie op de ruimte tussen de steden ontbrak echter. Terugblikkend blijkt dit de laatste volwaardige, ruimtelijke nota te zijn geweest. Alles wat daarop volgde werd steeds meer abstracter en vooral vaag. De ruimtelijke ordening raakte zijn fysieke component kwijt.
Een cultuur van onderop
Inmiddels blijkt dat onze fascinatie voor orde en ordening zijn weg naar het lokale schaalniveau heeft gevonden. Hiermee wordt een Nederlandse praktijk van cultuur van onderop zichtbaar. Dit past wonderwel in een andere, al langer bestaande traditie. Sinds het begin van de vorige eeuw werken stedenbouwkundigen immers minutieus aan omgevingen van gelijkgestemdheid. Honderden, zo niet duizenden, buurten en wijken zijn zo met de grootste zorgvuldigheid gecomponeerd. Afgemeten en binnen strak omlijnde kaders, geheel in lijn met de geldende opvattingen van de tijd. Het zijn sublieme meesterwerken van ruimtelijkheid, gebouwde portretten van de maatschappelijke verhoudingen van dat moment. Iedere tien of vijftien jaar voorzien van een nieuwe signatuur, moeiteloos mee bewegend met de sociaal-culturele en economische veranderingen in de samenleving. Achter deze schijnbaar moeiteloze aanpasbaarheid gaat een culturele constante schuil. Dat kan eenvoudigweg niet anders. De stedenbouwers bouwen voort op de Hollandse stad waarin standsverschillen en tegenstellingen egalitair zijn ingebed in een traditie van collectieve transparantie en individuele vrijheid. Arnold Enklaar somt in zijn boek ‘Nederland, tussen nut en naastenliefde’ een reeks waarden op die bij de Nederlander passen: betrouwbaarheid, matigheid, overeenstemming, gelijkheid en zelfbeschikking. Buurten en woonwijken zijn veilige eilanden. Ze zijn tekenend voor hoe de Nederlander zijn welbevinden van nature invult. In principe naar binnen gericht en niet noodzakelijk onderling samengesmeed tot een systemisch geheel. De caleidoscopische verzameling plannen, zonder noemenswaardige stedelijke integraliteit op de schaal van een metropool, is één van de middelen om het buurtgevoel in stand te houden. Steden, wijken en buurten staan min of meer op zichzelf. Het zijn stuk voor stuk miniaturen van zelfbeschikking.
Natuurlijk speelt de natte ondergrond een rol bij een planmatige groei. We kunnen, met name in Holland, niet zomaar lukraak overal bouwen. Deze werkelijkheid is tot waarheid geworden. De Wet tegen Lintbebouwing uit 1937 verzette zich tegen ‘het oprichten van gebouwen of aanleggen van beplantingen op plaatsen, welke binnen een bepaalde afstand van een weg gelegen zijn.’ Jarenlang was er een breed gedragen weerstand tegen weidewinkels. De historische binnensteden zouden moeten worden beschermd. Bij deze aandrang tot controle van het grondgebied hoort geen onzekerheid, integendeel. Mijn vermoeden is dat daarom hele generaties ontwerpers zijn opgeleid in het uitbannen van onzekerheid. Er is een stelligheid en beheersing ontwikkeld om de toekomst naar het nu te halen en het bij voorbaat te ontdoen van mogelijke rafelranden.
Een nieuwe realiteit
Ondertussen haalt de werkelijkheid ons met grote schreden in. Waar boeren lange tijd als betrouwbare hoeders golden van het groene, doorgaans agrarisch benutte biljartlaken tussen de kernen, doemen nu plots nieuwe en ontregelende functies en bijbehorende representanten op. Het gaat om functies die door velen als urgent worden gezien: bijvoorbeeld zonneweides, distributiecentra en windmolenparken. In het beste geval wordt nog net een beeldkwaliteitplan opgesteld dat als een bezemwagen achter het peloton vol met nieuwe functies en urgenties aanrijdt. In Zeeland worden in die geest supermarkten en bouwmarkten langs de provinciale wegen gerealiseerd. Daarmee wordt ondubbelzinnig aangetoond dat niet alleen het landschap, maar ook de oude dorpen hun beste tijd hebben gehad. Nieuwe tijden zijn daadwerkelijk aangebroken.
Die nieuwe werkelijkheid vraagt om nieuwe plannen. De omvang en impact van de veranderingen zijn te groot en sluiten niet langer aan bij aloude zekerheden en tradities. Het aantal grote en ingrijpende plannen groeit bovendien snel. Een bijkomend probleem hierbij is echter dat de overheid de nodige traagheid vertoont bij het doorzetten van veel plannen. Soms lijkt het er zelfs op dat alleen grote rampen tot beweging op nationale schaal zorgen. Om een onwenselijk stuwmeer en dus vertraging te voorkomen zullen we op zoek moeten naar een nieuwe vorm van plannen. Daarin moet niet langer controle of een eindbeeld bepalend zijn, maar een bepaalde beheersing of aansturing van het krachtenspel. Die omschakeling betekent logischerwijs ook het loslaten van beproefde routines. Het druist allemaal in tegen onze natuur en dat maakt de transitie nog eens extra lastig.
Loslaten op stedenbouwkundig schaal
Het scheelt dat er op kleinere schaal al decennialang geëxperimenteerd wordt met omschakelen en het loslaten van routines. Dit met wisselend succes overigens. De ontwikkelingsstrategie van KCAP uit 1993 voor het Rotterdamse Wijnhaveneiland, waarbij een dynamisch transformatiemodel is ingezet zonder vaststelling van een stedenbouwkundig plan, geldt als een wegbereider voor deze nieuwe manier van plannen. Het plan voorziet in een verdichtingslag door het toevoegen van hoogbouw in een voorheen onderpresterend deelgebied van de binnenstad. Er is gewerkt zonder onder eindbeeld, maar met een lange lijst aan regels om de geboden vrijheid in goede banen te leiden. Over het resultaat valt evenwel te twisten. Gebouweigenaren klonterden, in weerwil van de regels, percelen aan elkaar om zo toch marktconforme torens te kunnen bouwen. Daarnaast ontnam de fascinatie voor het experiment van loslaten enigszins het zicht op ruimtelijke kwaliteit. Het Wijnhaveneiland kreeg wel een bovengemiddelde dichtheid, maar is stedenbouwkundig compositorisch niet bijzonder sterk.
Dat het nog een stap verder kan bewijst de wijk Oosterwold in Almere-Buiten. Aan de basis daarvan ligt een plan van MVRDV uit 2013. Oosterwold is een beoogd semi-agrarisch woon-werkgebied van 4.300 hectare tussen Almere en Zeewolde dat bewoners en ondernemers zelf ontwikkelen. Het is een bijzonder concept voor organische gebiedsontwikkeling, zonder stedenbouwkundige invulling, zonder welstandsbeleid en, dus, met veel ontwerpvrijheid. Het voorstel getuigt echter ook van een bepaalde mate van ontwerpersnihilisme. Die bewust ‘ont-regelende’ inzet en ontwerpfilosofie is tegelijkertijd fascinerend als ontluisterend. De mate waarmee deze gebiedsontwikkeling afwijkt van de bestaande praktijk leidt tot grote belangstelling. Het radicale karakter van het plan zet ook enthousiaste voorstanders en cynische tegenstanders lijnrecht tegenover elkaar. In principe doen de bewoners er alles zelf, zij het dat een gebiedsregisseur het nodige in goede banen moet leiden. Dat een tomeloze inzet van bewoners onder een vorm van regie niet altijd voldoende wordt op bepaalde deelaspecten van het plan duidelijk. Bijvoorbeeld wanneer blijkt dat de overheid vanuit haar zorgplicht alsnog de riolering in de wijk dient aan te leggen. Na een evaluatie gaat de Almeerse gemeenteraad in 2023 akkoord met de voortzetting van de organische gebiedsontwikkeling. Daarbij wordt echter ook bepaald dat de gebiedsorganisatie een actievere rol zal innemen bij het ontwerp en de realisatie van de ruimtelijke basisstructuur: de aanleg van (hoofd)polderwegen, hoofdfietspaden, ecologische verbindingen, waterverbindingen, nutsvoorzieningen, riolering en maatschappelijke voorzieningen. Deze aanpassing is een illustratie van zowel de taaiheid van ruimtelijke en bestuurlijke routines, als van de lange weg die nog is te gaan om gewoontes te doorbreken. Waar Nederland voorheen wellicht is doorgeschoten in planmatige ordening met een allesomvattende aanpak voor wijken en buurten, lijkt de behoefte aan controle weerbarstig. Er is slechts één Almeers experiment voor nodig om weer terug te vallen naar een traditionele opzet van stedenbouw. Namelijk die van het aanleggen van openbare structuren waarop individuele vrijheden worden geënt en waarbinnen wisselende collectiviteiten kunnen ontstaan.
Vrijheid kan niet zonder vastigheid
Wanneer in 1998 het stedenbouwkundig plan voor Zuidas wordt vastgesteld verschijnt voor het eerst een open gridstructuur in de Nederlandse stedenbouw. Het grid staat in de Verenigde Staten voor gelijkheid tussen burgers, onbegrensde mogelijkheden en het beheersen van het territorium door de mens. Voor Pi de Bruijn, die het plan voor Amsterdam bedacht, zal het vooral om de neutraliteit van deze ordening zijn gegaan. De Amerikaanse versie van het grid biedt vastheid waaruit vrijheid kan ontstaan, terwijl het bij de Zuidas vooral een vorm is. Gesitueerd tussen Berlage’s Plan Zuid en het Buitenveldert van Van Eesteren is een zekere bescheidenheid passend. Toch schuilt in deze keuze ook een bepaalde uitgesprokenheid. Een manier om, in de luwte van de ontwikkeling van de toenmalige IJ-oever plannen, ruimte te bieden aan commerciële invulling die tot dan toe in ons land niet bestond. Terwijl de ABN-AMRO Bank destijds voor de keuze stond tussen Amsterdam en Londen kwam de gemeente Amsterdam met een beslissende voorzet. Het besloot tot een Angelsaksische benadering, geënt op vrije markt-principes, om dit stuk stad nabij Schiphol op de internationale kaart te zetten. Een nieuw centrum voor de stad. Een majeure stedenbouwkundige keuze die wonderwel, nauwelijks lokale weerstand opriep. Bijna drie decennia verder in de ontwikkeling geniet de Zuidas nog steeds een zekere anonimiteit; ook onder vakgenoten. Een opvallend waarneming, ook omdat het intussen om het duurste, meest centraal gelegen en zeer hoogstedelijk stuk Nederland gaat. Blijkbaar zijn al die superlatieven niet voldoende om het plan te laten resoneren.
Er kunnen zeker een aantal tekortkomingen als verklaring worden benoemd. Het grid van de Zuidas is wat plomp en simplistisch. De lange lijnen blijken wat te kort uitgevallen en de blokmaat is onhandig klein. Maar één voordeel kan een grid in het algemeen, en dus ook deze Amsterdamse variant, niet ontzegd worden: het is in zijn neutraliteit aanpasbaar.
Vaste patronen voor de organische stad
De beperkingen van het grid ervoer ik zelf toen in mijn rol supervisor van de VU Campus Amsterdam in 2005 als stedenbouwkundig adviseur voor de Vrije Universiteit. Een halve eeuw gelegen was de Vrije Universiteit uit de binnenstad vertrokken op zoek naar ruimte. 40 jaar later bleek die locatie vrij plotseling in het nieuwe stedelijk epicentrum van de stad aan te liggen. De Vrije Universiteit wilde logischerwijs graag onderdeel zijn van deze kosmopolitische dynamiek. Vanuit die wens tot integratie en kruisbestuiving is over het grid van Zuidas een stelsel van pleinen ingepast om zo grenzen om plekken te maken nu de grenzen gingen vervagen. We hadden centripetale ruimtes voor ogen die middelpunten zouden vormen in een onbegrensde academische omgeving en die een verrijking zouden betekenen van de stedelijke structuur. Met dit principe voor de openbare ruimte is de VU Campus vanaf dat moment steeds verder doorontwikkeld en het einde is nog niet in zicht. Maar de kracht ervan is onverminderd dat iedere verdere toevoeging gedurende die jaren langs een kraakheldere denklijn wordt ingepast. Het is de kracht van een gedeelde waarheid binnen een organisatie die misschien wel een halve eeuw nodig heeft om werkelijkheid te worden.
Dat wordingsproces duurt hoogstwaarschijnlijk te lang om te voldoen aan de selectiecriteria van een jaarboek voor landschapsarchitectuur en stedenbouw. Maar het tijdspad van de VU Campus is een heel goede illustratie van de wijze waarop steden organisch groeien. Langlopende processen worden daarbij idealiter gestuurd door ontwerpen die ruimtelijke prioriteiten stellen om bepaalde onzekerheden incorporeren. In een snel veranderende wereld gaat het erom in stedenbouwkundige plannen zekerheden in te bouwen waarmee het (nog) onbekende toegelaten kan worden. Patronen in plaats van een blauwdruk. Dat vraag om overtuigingskracht en verbeelding, en om een stedenbouwer die boven zichzelf kan uitstijgen.
Essay door Henk Hartzema in de publicatie Stand van de Stedenbouw (BNSP) 2026
Beeld: Den Haag 1712, bewerking studio Hartzema 2012


